Boerenzwaluw, Hirundo rustica / Barn Swallow

Texel, mei 2005


Adult mannetje


De lange staartveren en de rode keel maken de Boerenzwaluw onmiskenbaar. Hoewel er nog enkele andere zwaluwsoorten in West-Europa voorkomen, zullen de meeste mensen bij het noemen van deze vogels toch onmiddellijk het beeld van de Boerenzwaluw voor de geest krijgen. Waarschijnlijk is dat mede de verdienste van een Zweedse luciferfabrikant. Maar de vogels zelf hebben daar ook aan bijgedragen, want de Boerenzwaluw komt toch vrijwel overal voor.

De Boerenzwaluw weegt ca 22 gram, maar ondanks de beperkte lichaamsmassa kunnen ze bij het vliegen snelheden van 32,4 km/u halen. Het zijn uitstekende vliegers die uitzonderlijk weinig energie nodig hebben voor hun vlucht. Ter vergelijking: Roodborsten hebben voor het vliegen bijna vijfmaal zoveel energie nodig.

Polders nabij boerderijen; soms ook onder bruggen

Zomergast. In de winter verblijven Boerenzwaluwen voornamelijk in Afrika, maar een zeer klein aantal blijft achter in het zuidelijk deel van Europa. Tegenwoordig is er over het trekgedrag van deze vogels vrij veel bekend, maar vroeger hadden de mensen geen flauw idee waar de trekvogels in de winter verbleven. Van Zwaluwen werd wel beweerd dat deze 's winters in de modder wegkropen, zoals ook kikkers dat doen, en dan pas in het voorjaar weer tevoorschijn kwamen. Dankzij de terugmeldingen uit het ringonderzoek is tegenwoordig vrij goed bekend waar deze vogels heengaan en zelfs zijn de trekroutes redelijk goed in kaart gebracht.

Boerenzwaluwen die in verschillende Europese landen broeden, blijken in tegenstelling tot sommige andere soorten, zoals de Gele Kwikstaart, ook in hun winterverblijven in afzonderlijke streken te bivakkeren.

De exemplaren pendelen jaarlijks tussen vaste plekken in het overwinteringgebied en het broedgebied. In de regel komen zij zelfs meer jaren achtereen terug naar dezelfde nestplaatsen. De overtocht wordt overdag afgelegd. Zij vliegen in losse groepen en zoeken tegen de schemering gezamenlijke slaapplaatsen op.

De aantallen broedparen kunnen van jaar tot jaar grote verschillen vertonen, maar vanaf de jaren zeventig is er toch over de hele linie een flinke achteruitgang vastgesteld.

Aantal broedparen in Nederland: 150.000 broedparen (2004)