Graspieper, Anthus pratensis / Meadow Pipit

Noord-Brabant, maart 2011


Adult


Vochtige, dichte en halfopen vegetatie, bijvoorbeeld weiden, heiden en akkers

Territorium: Graspiepers komen voor in open terrein met lage begroeiing. In Nederland zijn dit landbouwgronden, duingebieden, heidevelden, moerassen en kwelders. Ze maken hun nest op de grond, tussen en onder dichte vegetatie. Ze eten kleine insecten en hun larven of rupsen, slakjes en wormpjes. In de herfst en winter eten ze ook zaden. In Nederland zijn het gehele jaar door graspiepers te zien. In de winter komen hier vooral Noord-Europese broedvogels voor. Bij strenge vorst trekken ze verder naar het zuiden.

Graspiepers zijn onopvallende vogels met een bruine gestreepte rug en een lichtere buik en borst. De zang van een graspieper is typerend. Tijdens het zingen vliegt het mannetje tot een hoogte van 5 tot 35 meter. Daar blijft hij even of hij keert meteen terug in een zweefvlucht met de vleugels in V-houding, enigszins gespreide staart en bungelende pootjes.

De Nederlandse broedvogels overwinteren in zuidwest Europa en Marokko. Sommige trekken zelfs door tot de savannes in west Afrika. Gedurende de trektijd kunnen graspiepers en andere trekvogels in de Sahara gezien worden, zittend op de grond. De vogels kunnen overdag dan niet verder vliegen omdat het te heet is om vet te verbranden, in die periode wordt alleen 's nachts getrokken.

Niet bedreigd.

Aantal broedparen in Nederland: 70.000-80.000 broedparen (2000)



Maasvlakte, september 2008


Noord-Brabant, mei 2010


Noord-Brabant, mei 2009


Zeeland, mei 2008