Sneeuwgors, Plectrophenax nivalis / snow bunting

Texel, oktober 2012


Adult winterkleed



Er is geen zangvogel die zo noordelijk broedt als de Sneeuwgors. Zodra in het hoge noorden de eerste plekken sneeuw zijn ontdooid, zijn ze weer terug uit hun overwinteringgebieden.

Ze worden vanaf hoog boven de Poolcirkel broedend aangetroffen tot zelfs in het zuiden van Noorwegen en in Schotland.

Komt in Nederland voor als wintergast. De Sneeuwgors komt als overwinteraar voornamelijk voor langs onze kusten en zelden verder in het binnenland. Ze komen vanaf eind september en tot in november loopt hun aantal op, waarna hun aantal weer geleidelijk aan afneemt, totdat ze voor het belangrijkste deel eind maart zijn verdwenen en soms tot in april nog worden gezien.
Meer dan 60% van de Sneeuwgorzen dat in Nederland overwintert, is afkomstig uit IJsland (ondersoort insulae). Ze trekken langs de Engelse oostkust naar de Nederlandse kusten. De overige zijn vermoedelijk afkomstig uit Groenland en misschien ook wel uit ScandinaviŽ (ondersoort nivalis). De meeste Scandinavische Sneeuwgorzen overwinteren echter niet in West-Europa maar blijven in ScandinaviŽ en langs de kusten van de Oostzee.
Ze zoeken hun voedsel vooral op strandvlakten, zeedijken, aan de vloedlijn en op ruderale terreinen. Als hun foerageergebieden in strenge winters slecht bereikbaar zijn, worden ze wat vaker ook in het binnenland gezien op grote onkruidvelden van braakliggend land. Meestal worden ze waargenomen in groepjes tot enkele tientallen stuks.

De meesten worden in het noordelijke deel van de kusten waargenomen, zoals in de Eemshaven, Schiermonnikoog, de Friese noordkust, Texel en de zuidpier van IJmuiden. Tussen Katwijk en Hoek van Holland worden er aanmerkelijk minder gezien en de aantallen in het Deltagebied zijn opmerkelijk geringer dan in het Waddengebied. Dat komt omdat Zuid-West-Nederland al bijna aan de zuidgrens ligt van het gebruikelijke overwinteringgebied. Verder zuidelijk aan de Noordzeekust zijn ze veel schaarser.