Matkop, Parus montanus / Willow Tit

Finland, maart 2015


Adult


De Matkop kent een aantal typische meesachtige kreetjes. Maar zijn zang bestaat uit 'puut-puut-puut' in een snelle herhaling.

Dat er twee verschillende soorten zwartkopmezen worden onderscheiden, is pas aan het eind van de 19de eeuw officieel vastgelegd. Wij kennen nu de Glanskop (Parus palustris) en de Matkop. De naam zwartkopmees wordt nog wel eens gebruikt als niet vast te stellen is om welke soort het gaat. Want het onderscheid tussen deze twee kleine mezen is vaak niet gemakkelijk te constateren. Alleen wanneer wij de roep van de Matkop horen, het nasale 'pèh-pèh-pèh' dan hebben we zeker met een Matkop te maken,

Vochtige bossen met veel dode bomen. Omdat de Matkop z'n eigen nestholte hakt, heeft hij een voorkeur voor veel rottend hout. Vooral het zachte hout van dode Berken is favoriet en het is daarom erg jammer dat wandelaars in het bos nog zo vaak dode, rottende bomen omhalen of omschoppen. Men ontneemt daarmee de Matkop's broedgelegenheid.

Standvogel. Dat betekent dat ze zich niet meer dan enkele tientallen kilometers van hun broedgebied verwijderen. Toch kunnen we de Matkop buiten de broedtijd regelmatig op plaatsen waarnemen waar ze pertinent niet broeden.

Niet bedreigd. De tellingen van de afgelopen tien jaar die Sovon medewerkers hielden, duiden erop dat de stand stabiel is gebleven of zelfs mogelijk licht is toegenomen. Volgens schattingen zou het voorkomen van Glanskop en Matkop ongeveer van één op drie moeten worden gesteld.

Aantal broedparen in Nederland: 20.000-30.000 broedparen (2000)



Oostvaardersplassen, maart 2008